De automatische indexering van de lonen is een fundament van de welvaartstaat. De index zorgt ervoor dat onze lonen automatisch stijgen wanneer de prijzen stijgen, zodat werknemers hun koopkracht behouden.
In het regeerakkoord werd echter een nieuwe maatregel aangekondigd: de zogenaamde ‘centenindex’. Deze maatregel verandert (tijdelijk) de manier waarop de indexering wordt berekend en beperkt het effect ervan. De centenindex werd – ondanks een alternatief voorstel van vakbonden en werkgevers – op 28 mei goedgekeurd in het federaal parlement en treedt op 1 juni in werking.
Wat is de centenindex?
De centenindex houdt in dat de indexering niet meer volledig procentueel wordt toegepast op het volledige loon, maar gedeeltelijk wordt beperkt.
Concreet werkt het systeem als volgt:
- De indexering wordt afgetopt tot max. 2% van een referteloon van 4.000 euro bruto per maand (voltijds).
- Dat referteloon bevat enkel het basisloon. Overloon, premies, maaltijdcheques of andere toeslagen tellen niet mee.
- De maatregel geldt voor twee indexeringscycli: 2026 en 2028.
- De eerste toepassing start op 1 juni 2026 (voor sectoren met indexering op 1 juli – zoals in de sector metaalbouw – dus vanaf 1 juli 2026).
- De tweede cyclus begint op 1 januari 2028 – waarbij het referteloon iets hoger zal zijn dan 4.000 euro omdat het geïndexeerd wordt.
- De maatregel wordt trouwens ook toegepast voor de pensioenen. Daar ligt de drempel op 2.000 euro bruto per maand.
Hoe werkt de centenindex?
- De index is meer dan 2%
Wanneer de index hoger is dan 2%, gebeurt de berekening in twee stappen.
Stap 1:
2% indexering op het referteloon van 4.000 euro.
Stap 2:
Het resterende deel van de index wordt toegepast op het volledige brutoloon.
Voorbeeld: brutoloon van 5.000 euro en index van 3%
- 2% op 4.000 euro = 80 euro
- resterende 1% op 5.000 euro = 50 euro
De totale indexering bedraagt dus 130 euro. Zonder de maatregel zou dat 150 euro zijn.
- De index is lager dan 2%
Voorbeeld: brutoloon van 4.500 euro en index van 1,7%.
- 1,7% op 4.000 euro = 68 euro
- Het deel van het loon boven 4.000 euro wordt niet geïndexeerd.
Indien de indexering volledig wordt toegepast stijgt het loon met 76,5 euro (8,5 euro bruto loonverlies per maand).
Let op: omdat de indexering lager was dan 2%, zal bij de loonindexering van het volgende jaar nog 0,3% verrekend worden.
Voorbeeld: de index is 1,7% in 2026. In 2027 bedraagt de index 2,1%. Eerst zal er 0,3% (2% - 1,7% = 0,3%) geïndexeerd worden op 4.000 euro en vervolgens 1,8% (2,1% - 0,3% = 1,8%) op 4.500 euro.
- De index is exact 2%
Wanneer de index exact 2% is (voor sectoren – zoals de staalsector – waar de indexering gebeurt op basis van de spilindex) is de berekening eenvoudig.
Voorbeeld: brutoloon van 5.000 euro en index van 2%
- 2% op 4000 euro (+ 80 euro)
- 0% op het bedrag boven de 4000 euro.
Indien de indexering volledig wordt toegepast stijgt het loon met 100 euro (20 euro bruto loonverlies per maand).
Wat gebeurt er met het uitgespaarde (afgepakte) loon?
- De helft van de uitgespaarde loonkost komt ten goede aan bedrijven.
- De andere helft vloeit naar de overheid via een bijzondere loonmatigingsbijdrage.
Wat betekent dit voor werknemers?
Ongeveer de helft van de werknemers wordt door deze maatregel geraakt. Zoals bovenstaande voorbeelden aantonen, blijft het loonverlies per maand relatief beperkt. Maar het effect stapelt zich op.
De centenindex zorgt voor een iets lager loon in vergelijking met een normale indexering. Dat lagere loon wordt vervolgens de basis voor volgende indexeringen. Het verlies wordt dus structureel en cumulatief. Op een volledige loopbaan kan dat oplopen tot duizenden euro’s.
Naast dit koopkrachtverlies hebben wij ook nog andere bezwaren tegen de centenindex.
- Aantasting van het indexprincipe
De automatische indexering is bedoeld om de koopkracht te beschermen tegen prijsstijgingen. Door de index gedeeltelijk af te toppen wordt dat principe uitgehold. Deze maatregel zet de deur dus op een kier voor verdere ingrepen in het indexsysteem.
- Minder middelen voor sociale zekerheid
Lagere lonen betekenen ook minder sociale bijdragen en minder fiscale inkomsten. Dat ondergraaft de financiering van de sociale zekerheid en publieke diensten.
- Structurele loonmatiging
De maatregel past in een bredere trend van loonmatiging: eerste de strenge loonnormwet van 1996 (nog verstrengd in 2017 met correctiemechanismen en veiligheidsmarges) en nu een ingreep in de indexering zelf. Dit drukt de loonontwikkeling structureel.
In het regeerakkoord staat bovendien dat de loonwet en de indexering opnieuw zullen worden geëvalueerd, met een advies van de sociale partners tegen eind 2026. De discussie over de toekomst van de index is dus nog niet voorbij.
- Inbreuk op het sociaal overleg
De indexering van lonen is geen wettelijk gegeven, maar wordt vastgelegd in cao’s die het resultaat zijn van vrije collectieve onderhandelingen. De centenindex breekt in op de loonbarema’s wat betekent dat die op sector- en bedrijfsniveau in bepaalde gevallen opnieuw onderhandeld moeten worden. Bovendien hadden de sociale partners (vakbonden en werkgevers) een alternatief ontwikkeld dat eerlijker en minder complex was. De regering weigerde echter om dit voorstel over te nemen.
Besluit
De centenindex lijkt op het eerste zicht een beperkte maatregel, maar ze betekent eigenlijk een structurele beperking van de lonen voor wie werkt. Hoewel het individuele loonverlies per indexering vaak beperkt blijft, loopt het effect op lange termijn op. De maatregel is daarom asociaal: ze ondergraaft een belangrijk mechanisme dat werknemers beschermt tegen stijgende prijzen en zet de deur open naar verdere (negatieve) hervormingen van het indexsysteem.
ABVV-Metaal-adviseur Klaas Stevens legt in deze ClassMetal haarfijn uit hoe de 'centenindex' nu eigenlijk in elkaar zit.